Uit: de Volkskrant, katern Traject, zaterdag 23 februari 2002
Klimmen zonder hoogtevrees
Een belangrijke karakteristiek van de bossen bij Fontainebleau, in
Frankrijk, ten zuiden van Parijs, is het geluid dat tussen de bomen
zwerft.
Pof pof pof.
Zo gaat dat, de ganse dag.
Pof pof pof.
Het zijn de klimmers. Op mooie dagen streft het woud van de klimmers (op
minder mooie dagen trouwens ook). Met een zak hars slaan ze op de rotsen zodat
het oppervlak mooi droog wordt en grip geeft voor hun wrijvingsschoenen. Pof
pof pof.
Fontainebleau is populair bij rotsklimmers, die liefkozend spreken over
bleau en zichzelf bleausards noemen. Ze zwermen in groepjes over
de droge zandduinen, rusten uit onder het loof, bekloppen rots en slaken
woeste kreten bij de beklimming ervan.
Doorgaans duurt die beklimming niet lang. Een minuut of vier, en de
bleausards zijn boven.
In het bos wordt geklommen zonder hoogtevrees. De rotsen zijn er vrijwel
nergens hoger dan zes meter. Verspreid over het gebied liggen blokken grijs
zandsteen in groepjes bij elkaar; mooi afgeronde keien die met wat fantasie op
dierenkoppen lijken. Vooral in de winter worden ze geroemd om hun grip. Dan
vriest alle vocht eruit en dragen de klimmers wollen mutsen.
Klimmen op keien is een zelfstandige tak van bergsport geworden. Engelsen
noemen het boulderen en die term wordt ook in Nederland
gebruikt. Boulderen werd lang gezien als training voor het echte werk;
alpinisten uit Parijs bezochten Fontainebleau al eind 19de eeuw om er hun
evenwicht te testen. Nu hangen de klimmers in onmogelijke posities aan
schijnbaar spiegelgladde wandjes, trekken zich op alsof het niks is, vinden
steun op minimale greepjes.
Laag klimmen heeft voordelen. De kans om dood te vallen is kleiner, en het
scheelt gezeul met touw. De boulderaar heeft slechts wrijvingsschoenen nodig,
een zakje pof en een tandenborstel. Dat laatste om de grepen mee uit te
borstelen, die soms maar millimeters dun zijn. Handig is een klimmaat die je op
kan vangen bij een val, een spotter. Wie geen spotter heeft, gebruikt
een crashmat, een opvouwbaar matras.
Maar dan ben je ook helemaal klaar.
Boulderaars zijn de sprinters onder de alpinisten. Hun klim is kort en
zwaar. Een beetje bouldercrack spreekt niet van rotsen, of van blokken; hij
beklimt een probleem. Een vervelende rots zonder kennelijke
aanknopingspunten is dan een mooi probleem. Drie, vier, soms wat meer
passen zijn nodig om boven te komen en daardoor heeft boulderen iets weg van
een denksport. Bedenk onderaan hoe de puzzel opgelost kan worden, en hoop dan
dat er kracht genoeg is voor de uitvoering ervan. Halverwege nadenken loopt
zelden goed af.
Soms hebben bleausards een dag nodig om een rots van amper drie meter hoog
te doorgronden. Of een week. Daar doen ze dan niet moeilijk over. Het gaat,
uiteindelijk, om klimmen op de vierkante centimeter.
Niet voor niets was de oude Amerikaanse boulderkoning John Gill
een wiskundige, en zag hij zich tussen de keien omringd met vakgenoten. 'Ik
denk', zei hij in een interview, 'dat het te maken heeft met een natuurlijk
instinct om patronen te analyseren.' De wiskundige: immer op zoek naar elegant
bewijs voor een probleem. De boulderaar: idem. Harkerig klimmen met fysiek
geweld is fout, het moet er soepel uitzien.
Boulderen begint aardig populair te worden. Zelfs in de Nedelandse
klimhallen, waar rotswanden worden nagebootst, nemen boulderhokken steeds meer
ruimte in. Dat komt, zegt Jos Leenen (31), de beste bleausard van Nedeland,
omdat boulderen noodzakelijk is voor wie moeilijke routes wil bedwingen. 'Je
leert bewegingen analyseren, krijgt kracht. Bovendien is het gezellig: met een
paar man onder de rots, samen een probleem oplossen.'
Leenen klom in bleau de bizar moeilijke boulder Haute Vanité, die in jargon
als '8a+' wordt gewaardeerd. Daar krijgt een gemiddelde Nederlandse klimmer
kippenvel van. Hij had er 'een paar weekjes' voor nodig. 'Je klimt een dag en
dan ga je naar huis, iedere week, elk weekend kom je terug. Zo slijten de
passen er langzaam in. Ja, een beetje vastbijter moet je wel zijn. Maar hoe
langer je er over doet, hoe groter de vreugde als het lukt.'
Dit jaar staat een '8b' op het programma. 'Ik wilde Fat Man klimmen,
een mooie klassieker, maar die is vorig jaar door iemand met beitels
bewerkt. Alle grepen weggeslagen, uit ergernis over het klimmen.'
Pof pof pof.
Maar dan iets anders.
Toine Heijmans